- Blind mode tutorial
lichess.org
Donate
Schaakbord in paleis Het Loo

eigen foto

Schaakgeneraties

Chess
Dit is een artikel dat ik begon te schrijven toen ik zat te wachten op een herstelling van mijn auto in een VW-garage in december 2023, maar in de schuif is blijven liggen. Vandaar dat de inleiding wat gedateerd is.

Na de Isle of Man Open in oktober-november 2023, een tornooi dat twee tickets voor het kandidatentornooi weggaf, was het even opvallend rustig in de schaakwereld. Dat wil zeggen, geen prestigieuze tornooien met toppers in het vooruitzicht. Wel, dat dacht ik dus, tot ik even 2700chess.com checkte. De Sinquefield Cup was net begonnen met de usual suspects Caruana, Firouzja, Nepo, Giri, So, Rapport, Dominguez, MVL, Duda en Aronian. Het zijn niet enkel voetballers of wielrenners die met een volle kalender kampen.

Niet lang na die open vond Caruana, die zich ondertussen als eerste geplaatst heeft voor het nieuwe kandidatentornooi om een uitdager voor Gukesh aan te duiden) dat de huidige generatie – dus eind 2023 - (we spreken over Carlsen, Caruana, Ding, Nakamura, Giri, So, Nepo, Vidit, MVL, Rapport) de sterkste ooit is geweest. Opmerkelijk dat een groot jaar geleden Gukesh niet eens genoemd werd. Op X werden hier natuurlijk vragen rond gesteld. Wat met de generatie van Petrosian, Kortchnoi, Polugaevsky, Stein, Larsen, Tal, Spassky en Portisch, die in een tijdspanne van 8 jaar geboren werden, vond Emil Sutovsky. En dan moest die generatie het dan nog opnemen tegen iets oudere reuzen als Botvinnik, Keres, Smyslov, Najdorf, om niet te spreken van de zeer sterke subtop in de USSR alleen al.

Als ik de spelers van de site 2700chess.com sorteer op leeftijd, dan valt er een gat van vier jaar tussen de acht jongste spelers (van Gukesh tot Firouzja), die alle maximaal 21 jaar oud zijn, en de volgende groep (25-34 jaar) van 16 spelers (van Aravindh, over Caruana en Carlsen, tot Nepo). In die laatste groep zitten Wang, Nakamura en Harikrishna trouwens niet eens in. Puur op rating zou je Caruana gelijk kunnen geven – voor zover je elo voor zo’n klassementen kan gebruiken, heeft hij een punt: in de top elo aller tijden, staat “zijn” generatie met 8 spelers in de top 20 (spelers die ooit een hogere rating dan Ivanchuk hebben gehaald). Nu, niets is voor eeuwig, en de jongste generatie staat er voorlopig maar met 3 spelers in (Firouzja, Erigaisi en Gukesh) – dat kan nog sterk veranderen in de nabije toekomst, gezien de opmars van de Indische spelers.

Dat er talentvolle en minder talentvolle generaties zijn, is duidelijk. We zijn met 8 miljard mensen en als we onderstellen dat talent willekeurig verdeeld is in plaats en tijd, zal statistiek ervoor zorgen dat er een golfbeweging is in sterkte aan de top. Omstandigheden zoals cultuur, mogelijkheden tot ontwikkeling, mogelijkheden tot competities, beschikbaarheid van sponsoring, aantrekkelijkheid van de sport, conflicten, enzovoort. Het zijn factoren die in tijd en ruimte variëren en een grote rol kunnen spelen in de ontwikkeling van individuele talenten.

Denken we maar aan (sub)topschakers die afkomstig zijn uit landen zonder een schaakcultuur, zoals Torre, Sultan Khan, Yanofsky, Pomar of Murshed. Of gewoon de eerste toppers in hun land, die met hun successen een schaakcultuur startten, zoals Chigorin, Euwe, Anand, Fischer. Een ander mooi voorbeeld dat schaakcultuur in golven verloopt, leveren de schaakprestaties van een schaakland als Frankrijk. Hun eerste grootmeesters waren allemaal import (Bernstein, Rossolimo, Tartakover, Dorfman, Spassky, Vaisser, Kouatly), en pas met Joel Lautier begon een nieuwe – echt Franse - generatie de neus aan het venster te steken. In de jaren 80 was Luc Winants zelfs even de beste franstalige schaker, nu is Frankrijk een land dat in de subtop van de olympiaden meespeelt, met MVL als uithangbord, maar de basis is nu heel breed, met meer dan 50 grootmeesters.

Het was een beweging die Engeland iets eerder had ingezet. Van het amateurisme van de jaren 50 tot de “English Chess Explosion” (het boekjedat hierover vertelt is een aanrader) was een grote stap en Engeland heeft sindsdien niet meer omgekeken. Één van de grote motoren om het schaken te promoten was het feit dat vanaf de jaren 50 en 60 lokale tornooien (Congresses en dan vooral de weekendtornooien) steeds vaker georganiseerd werden. De eerste Islington Open vond plaats met 24 spelers in 1965 – nog geen 10 jaar later, in 1973, waren er 1500 deelnemers. Toen het tornooi zo’n bekendheid begon te krijgen, kwamen ook de sponsors, en zo bleef de bal rollen. Net als in andere landen, triggerde de Spassky-Fischer match nog een schaakboom en algauw struikelde je er over het talent en de aankomende (groot)meesters.

Het is een zichzelf versterkend effect – er moet eerst een kritische massa overschreden worden, eer iets door de massa aanvaard wordt als relevant. Voorbeelden genoeg in de maatschappij, van sport over kunst tot het auteurschap. Eerst moet een goede prestatie/kunstwerk/boek worden voorgelegd, dan pas volgt de populariteit en het geld. Het gebeurt uiterst zelden dat subsidies of sponsors een onbekende discipline gaan sponsoren, vooraleer er resultaten zijn geweest.

Een tweede vraag die we kunnen stellen is misschien niet “wat is de beste generatie ooit”; maar eerder “wat is een schaakgeneratie?”. Is een decennium een voldoende tijdspanne om te spreken van een generatie, of is het twintig jaar, wat eerder overeenkomt met wat we typisch als generatie zien. Of moeten we denken in schaaktermen, en is een generatie de tijd dat een speler aan de top kan blijven. Van het topduo Karpov en Kasparov kunnen we stellen dat ze 15 jaar aan de absolute top stonden, en beiden speelden nog na het verliezen van hun titel lange tijd op grote hoogte. Dat maakt een schaakgeneratie in de enge zin eerder een tijdspanne van 10-15 jaar, in de ruime zin eerder 15-25 jaar. Eenzelfde periode zien we bij eerdere wereldkampioenen, vaak eerder korter, denken we maar aan . Eigenlijk kon enkel Lasker zich decennia lang aan de top handhaven, hoewel hier moet gezegd worden dat de omstandigheden hem wel een handje hielpen (weinig tegenstand, een wereldoorlog, de bereidheid van een WK om zijn titel al dan niet te verdedigen, een gebrek aan gelijkwaardige tegenstanders). Het duurde een kleine honderd jaar eer Kasparov weer zo’n dominantie kon tentoon spreiden.

Je ziet die variatie ook lokaal in clubverband: sommige spelers blijven hun sterkte opmerkelijk lang houden, anderen zien hun elocurve opmerkelijk snel dalen als ze ouder worden (heel vaak zie ik een daling van 100 elopunten per tien jaar). Het is één ding om je niveau en spelbegrip via training op peil te houden, het is een ander ding om aan het bord de juiste zetten te spelen. Feit is dat het continu werken aan je schaken je “levensduur” verlengt. Het mooiste voorbeeld was Kortchnoi (in de wereldtop van 1955 tot 2000), maar ook in Belgenland blijven sommige gepensioneerde schakers sterk meedraaien aan de lokale top – en dat ligt niet enkel aan het talent dat ze hebben, maar ook aan een gedrevenheid om goed te blijven spelen. Ik denk aan bv Marcel Roofthoofd (hoewel niet zo actief, nog altijd in de top 100 van België), Robert Schuermans, Marcel Van Herck, allen frisse zeventigers, die nog zeer actief zijn en vlot boven 2000 elo gaan.

Een club zoals de KGSRL is zo groot (en de recruteringsbasis is ideaal, met een grote stad en een grote universiteit) dat de club continu aan de top kan blijven meedraaien – veel invloed van schaakgeneraties ondervindt de club niet. Het is daarom verrassend te noemen dat de KASK, met een even grote geschiedenis, en een even grote recruteringsbasis, onlangs ter ziele is gegaan. Ligt het aan het feit dat het geografisch grotere Antwerpen meer satellietclubs telt (een beetje zoals in het voetbal er de Antwerpse is en Beerschot)? De KGSRL heeft Jean Jaurès als enige betekenisvolle concurrent binnen de stadsgrenzen. Antwerpen daarentegen had als concurrenten Borgerhout, Deurne, Hoboken en Oude God, naast nog wat kleinere clubs in de omgeving. Dat zal niet de voornaamste reden geweest zijn van het verdwijnen van stamnummer 101, maar het ondersteunt mijn punt wel – je kan moeilijk argumenteren dat de club in een hoogconjunctuur zat qua schaaksterkte.

Kleinere clubs drijven vooral op de golfbeweging van generaties. Gezien ik afkomstig ben uit West-Vlaanderen, kan ik het best die situatie daar als voorbeeld nemen. Een club als Tielt was in de jaren 50 Vlaamse (sub)top, en speelde mee in eerste nationale. Een club als Kortrijk had een heel lange topperiode, als lokale magneet van schaaktalent, tot ongeveer de jaren 2000, toen het langzaam bergaf begon te gaan, en de spelers niet meer in externe competities (liga en interclub) te zien waren. Recent komen ze weer aan het raam piepen dankzij hun jeugdopleiding.

Oostende heeft het wegvallen van de generatie Vandezande, Masschaele, Destoop (en dan tel ik nog de ondertussen gestopte (sub)toppers niet mee) goed verteerd met een nieuwe generatie (en voor interclub een verse batch Franse spelers). Veurne zit in een dipje, maar hun good times waren slechts gebouwd op een duo (Lenoir en Danneel), waarvan de eerste ondertussen één van de oudste actieve schakers van België is en de andere slechts enkele partijen per jaar in Noord-Frankrijk (bij de club van Grande Synthe) speelt. Ieper was een sterke club tot ergens in de jaren 70, maar verloor langzamerhand wat pluimen, kon nog lang (en steeds) rekenen op Marc Daels, en komt er nu met drie sterke jeugdspelers weer bovenop. Waregem had lang Thomas Maas als sterkhouder, en is ook aan het overschakelen naar een nieuwe generatie, onder leiding van Lowie Tomme. Izegem moet ook beginnen uitkijken naar vers bloed, want de spelers die nu bovenaan op de elolijst staan, stonden daar in de jaren 90 ook al.

De situatie in Brugge lijkt op die van Gent: talentvolle jongeren worden volwassen, maar blijven grotendeels hun club trouw. Ja, er zijn uitzonderingen, maar als er één club in West-Vlaanderen is die volgens mij altijd de sterkste club van de provincie zal zijn, dan is het de KBSK.
Een gelijkaardig, maar nog dringender probleem heeft Deurne, dat één van de oudste (qua gemiddelde leeftijd van de leden) clubs van het land is. Nu ja, that's life: geen pieken zonder dalen.